breken (kapotgaan)

werkwoordprs = in uitdrukkingen, spreekwoorden, e.d.

De sleutel is gebroken.

Die dam dreigt nu te breken.

Mijn hart brak toen ik zijn tranen zag.

Mijn moeder is daar echt door gebroken.

Mijn klomp brak toen ik dit las.

Zijn stem breekt, hij zucht en hij huilt.

Ik dacht dat mijn enkel gebroken was.

Het glas van zijn voordeur is gebroken.

Later breekt ook de bewolking in het oosten.

Door de sneeuw breken takken van de bomen.

Na alles wat er is gebeurd, brak er iets in mij.

Wat moet ik doen als de vliezen breken?

En als het ijs breekt spring je gauw verder.

Ik was altijd bang dat ze in tweeën brak.

Soms breekt ineens zijn pedaal.

Ooit breekt ook bij hem de veer.

Een dijk die breekt door een aardbeving?

Ook een paar van mijn tenen waren gebroken.

Na de match tegen KV Mechelen brak er iets bij hem.

Het kan er hard aan toe gaan, dingen kunnen breken.

Tot hij na acht kilometer klimmen plotseling breekt.

Ze was zeker tachtig – hoorde ik al botten breken?

Mijn hart breekt als iemand de rug van een boek kraakt.

De boot sloeg om in een storm en brak daarbij in tweeën.

Een groot beeld ligt in drie stukken gebroken op de grond.

subject

Wie of wat (...)?

substantief

been

bewolking

bot

dam

dijk

ding

glas

golf

hart

ijs

(11 meer)

pronomen

het

bepaling

Waar, wanneer, hoe, enz. (...) men?

adverbium

duidelijk

gemakkelijk

letterlijk

plotseling

predicatieve aanvulling

adjectief of adverbium

doormidden

prepositiegroep of conjunctiegroep

in:

stukken

twee

tweeën

verbum auxiliare of groepsvormend verbum

Welk hulpwerkwoord of groepsvormend werkwoord wordt vaak gebruikt bij breken?

blijken

doen

horen

kunnen

lijken

mogen

zien

zullen

in uitdrukkingen, spreekwoorden, e.d.

er brak iets (bij, in) iemand

Er zijn (nog) geen patronen opgetekend.

Voor meer informatie over dit woord: klik op Voorbeeldzinnen of Combinatiemogelijkheden.